
Het algemene principe voor de vaststelling van de belastbare grondslag is eenvoudig: belastbaar is het positieve verschil tussen de in geld, in effecten of in enige andere vorm als vergoeding voor de overgedragen financiële activa ontvangen prijs of waarde en de aanschaffingswaarde van deze financiële activa. (1) Indien er geen sprake is van een positief maar een negatief verschil, is er sprake van een (onder bepaalde voorwaarden) aftrekbare minderwaarde.
Cruciaal voor het vaststellen van de meer- of minderwaarde is bijgevolg het begrip ‘aanschaffingswaarde’. Deze aanschaffingswaarde is in principe gelijk aan de prijs of waarde waartegen de belastingplichtige of zijn rechtsvoorganger die financiële activa onder bezwarende titel heeft verkregen. (2) Onder rechtsvoorganger moet worden begrepen, aldus de minister van Financiën, zowel de algemene rechtverkrijgenden als de bijzondere rechtverkrijgenden. (3) Er zal enkel teruggegrepen moeten worden naar de aanschaffingswaarde in hoofde van een rechtsvoorganger indien de belastingplichtige de financiële activa zelf niet onder bezwarende titel heeft verkregen (maar bijvoorbeeld heeft verkregen ingevolge schenking). Hierbij werd door de minister van Financiën bevestigd dat de ‘keten’ van rechtsvoorgangers doorlopen mag worden tot een aanschaffingswaarde weerhouden kan worden, evenwel slechts voor zover deze bewezen kan worden.
Voor bepaalde financiële activa wordt voorzien in een afwijkende aanschaffingswaarde, te weten (4):
Daarnaast wordt ook voorzien in een ‘doorrol’ van de oorspronkelijke aanschaffingswaarde (overeenkomstig het principe in het vierde bolletje hierboven) bij de overige ‘tijdelijke’ vrijstellingen, te weten de belastingvrije reorganisaties van vennootschappen binnen de EER of belastingvrije reorganisaties van ICB’s (ook in dit verband verwijzen we naar ons eerder artikel inzake vrijstellingen). (6)
Ook werd een bijzondere berekening van de aanschaffingswaarde ingevoerd in geval van immigratie naar België: de aanschaffingswaarde van financiële activa wordt vastgeklikt op de eerste dag van de onderwerping van de belastingplichtige aan de personenbelasting in geval van overbrenging van zijn woonplaats of zetel van fortuin naar België. Dit principe geldt niet indien deze belastingplichtige in de 24 maanden voordien op enig ogenblik Belgisch fiscaal rijksinwoner was, dan zal de oorspronkelijke aanschaffingswaarde weerhouden worden (in voorkomend geval verhoogd, met name indien in het buitenland onderworpen aan een exitheffing). (7)
Om de zogenaamde ‘historische meerwaarden’, i.e. de meerwaarden gerealiseerd voor de inwerkingtreding van de meerwaardebelasting op 1 januari 2026 vrij te stellen, voorziet de wetgever in een ‘fotomoment’ waarbij de aanschaffingswaarde van financiële activa als het ware wordt vastgeklikt op 31 december 2025, waarbij de hoogste van volgende waardes weerhouden wordt (8):
Het staat de belastingplichtige echter vrij om bij overdrachten ten bezwarende titel die uiterlijk op 31 december 2030 plaatsvinden, de (hogere) aanschaffingswaarde van financiële activa verworven voor 1 januari 2026 aan te tonen. Dit kan nuttig zijn indien de hierboven berekende waarde per 31 december 2025 lager is dan de oorspronkelijke aankoopprijs. (9) Indien dit het geval is, kan overwogen worden om voor 31 december 2030 een ‘sale & buy back’ te doen.
Tot slot wordt de aanschaffingswaarde gelijkgesteld aan ‘0’ indien deze niet met bewijskrachtige gegevens bepaald wordt. De volledige ontvangen prijs is in dit geval integraal belastbaar. (10)
Hoewel de belastbare meerwaarde in principe gelijk is aan het (positief) saldo tussen de verkoopprijs en de aanschaffingswaarde (zoals hierboven uiteengezet), moeten een aantal aandachtspunten indachtig worden gehouden.
Zo is de belastbare meerwaarde in de eerste plaats een netto-meerwaarde: er mogen geen kosten in mindering gebracht worden van de ontvangen prijs (zoals de TOB of kosten voor adviseurs).
Indien de aan- en/of verkoopprijs is uitgedrukt in vreemde valuta, worden deze eerst omgezet in euro aan de hand van de wisselkoers die geldt op het ogenblik van de verwerving, respectievelijk verkoop van de financiële activa. Het is dus mogelijk dat de aanschaffingswaarde en verkoopprijs in de vreemde valuta identiek zijn, maar dat er voor doeleinden van de meerwaardebelasting toch een belastbare meerwaarde voorhanden is ingevolge een wisselkoersverschil. (11)
Voor wat betreft de vaststelling van de belastbare meerwaarde bij het aanhouden (en verkopen) van dezelfde financiële activa op verschillende ogenblikken wordt het FIFO-principe toegepast. Dit betekent concreet dat het eerst verkregen financieel actief geacht wordt als eerste te worden verkocht. (12)
Tot slot, indien de uiteindelijke verkoopprijs lager is dan de weerhouden aanschaffingswaarde, is er sprake van een minderwaarde. Deze minderwaarde is evenwel slechts aftrekbaar van meerwaarden gerealiseerd binnen dezelfde ‘categorie’ van financiële activa (te weten ‘aanmerkelijk belang’, ‘interne meerwaarden’ of ‘restcategorie’) én binnen hetzelfde belastbare tijdperk. Een overdracht van minderwaarden is bijgevolg niet toegelaten. De minister van Financiën heeft in dit verband wel bevestigd dat het bewust verkopen met verliezen om deze af te zetten tegen belaste meerwaarden in principe niet beschouwd zal worden als fiscaal misbruik. (13)
VOETNOTEN
(1) Artikel 102, §1, lid 1 WIB 1992.
(2) Artikel 102, §1, lid 2 WIB 1992.
(3) Wetsontwerp tot invoering van een belasting op meerwaarden op financiële activa, KAMER, 2025-2026, 27 maart 2026, nr. 56-1244/007, 48-49.
(4) Artikel 102, §1, lid 3 WIB 1992.
(5) Wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 (B.S., 1 april 1999, err., B.S. 10 november 1999).
(6) Artikel 95, lid 4 jo. artikel 96 WIB 1992 respectievelijk artikel 95/1, lid 3 jo. artikel 96/1 WIB 1992.
(7) Artikel 102, §3 WIB 1992.
(8) Artikel 102, §4, lid 1-3 WIB 1992.
(9) Artikel 102, §4, lid 4 WIB 1992.
(10) Artikel 102, §1, lid 6 WIB 1992.
(11) Artikel 102, §1, lid 5 WIB 1992.
(12) Artikel 102, §1, lid 4 WIB 1992.
(13) Artikel 102, §5 WIB 1992.